Conditionele uitvoering¶
If-statement¶
Met het if-statement kan je bepaalde code conditioneel uitvoeren: Als de conditie waar is, wordt de code uitgevoerd, anders niet. Enkele voorbeelden: Hier wordt je leeftijd gevraagd, en indien je ouder dan 17 jaar bent wordt “volwassen” op het scherm getoond:
leeftijd = int(input("Hoe oud ben je? "))
if leeftijd > 17:
print("volwassen")
Opgave 34¶
Vraag de gebruiker om diens lengte in centimeters in te geven. Toon “Je bent groot” op het scherm als de lengte groter is dan 180cm.
If-condities¶
Je kan in een if-statement verschillende logische operatoren gebruiken:
Groter dan >
Kleiner dan <
Groter of gelijk aan >=
Kleiner of gelijk aan <=
Gelijk aan ==
Verschillend van (niet gelijk aan) !=
Opgave 35¶
Vraag de gebruiker om diens naam in te geven. Toon “Je heet dus ” gevolgd door die naam op het scherm als de naam niet gelijk is aan de lege string ‘’.
Else-statement¶
Met het if-statement kan je bovendien ook aangeven wat er dient te gebeuren als de conditie niet waar is. Hier wordt de gebruiker naar een password gevraagd, en indien het juiste password ingegeven wordt, toont het programma de boodschap “Welcome!”, anders toont het programma de boodschap “Access denied!”:
password = input("Enter your password: ")
if password == "topgeheim":
print("Welcome!")
else:
print("Access denied!")
Opgave 36¶
Vraag de gebruiker om diens leeftijd in te geven. Toon “Je bent volwassen” als de leeftijd groter of gelijk is aan 18, en toon anders “Je bent nog niet volwassen” op het scherm.
Opgave 37¶
De computer neemt een willekeurig getal (randint) tussen 1 en 10, en de gebruiker probeert dit te raden.
Tip: De functie randint bevindt zich in de module “random”. Om een module te gebruiken dien je het “import” statement te gebruiken. Zo toont onderstaande code telkens een ander willekeurig getal tussen 50 en 100:
import random
v = random.randint(50, 100)
print(v)
Invoer¶
Vraag aan de gebruiker om het getal te raden en dit getal in te voeren.
Uitvoer¶
Het programma toont of de gebruiker goed gegokt had.
Voorbeeld 1¶
Invoer:
5
Uitvoer:
Helaas! Het getal was 3.
Voorbeeld 2¶
Invoer:
4
Uitvoer:
Juist! Het getal was inderdaad 4.